|




Vakantieparadijs
om van te dromen



| |
Reisverhalen > Relaas van een gelukzoeker in Boedapest
Heimwee naar Kaisers
Zondag 5 februari 2006
De winter heeft Hongarije niet overgeslagen. Op de treurige Donau dobberen
stevige ijsschotsen. Lijdzaam verlaten ze Boedapest. Tram 4, een donkergeel
restant uit de twintigste eeuw, brengt me naar Oktogon. Op een hoek ingeklemd
tussen Andrassy Ut en Terez Korut resideert TGI Fridays.
Het Amerikaanse café roert zich.
“Het is misbruik van vrijheid van meningsuiting, het is respectloos!”
Vol vervoering geeft een Canadees zijn mening op de Deense cartoon over profeet
Mohammed.
“Zoiets doe je gewoon niet!”
Genuanceerder kun je je niet uitdrukken.
De student keert zijn hoofd en kijkt verder naar de finale van het american
footballseizoen alias
The Super Bowl.
“Go Pittsburgh!,” galmt door het café. In groten getale hebben de geestdriftige
Noord-Amerikanen zich verenigd. Op het menu staan onbeperkt eten en drinken, de
hele nacht door.
Super Sunday in optima forma.
Aan mijn rechterzijde kletsen twee Amerikaanse studentes erop los onder het
genot van een flinke portie ijs. Achter hun ruggen hangt een enorm tv-scherm. De
wedstrijd is dan ook bijzaak.
Mijn hoofd is nog bij de verhitte discussie over de Deense cartoon. Europa in
het offensief.
De geest van Erasmus waart door Boedapest.
Eind januari 2006
Onwennig betreed ik het Imperio Max Hostel.
Een gemeenschappelijke kamer is gevuld met Erasmusstudenten uit alle windhoeken
van Europa.
Allemaal lotgenoten. Handen schudden, kennismakingspraatjes en koffie volgen
snel. Ieder is naarstig op zoek naar een vast onderkomen.
“Koop snel een telefoonabonnement.” Adviezen vliegen me om de oren.
“We gaan straks een appartement bekijken. Heb je zin om mee te gaan?”
Kamers afstruinen is een uitstekende activiteit om elkaar te leren kennen.
Na vier dagen heb ik beet. Een Duitse studente heeft een kamer in de huur
aangeboden.
De huurbaas blijkt een nogal zwijgzame man te zijn. Geruisloos controleert de
norse Hongaar mijn borg. Gerustgesteld overhandigt hij mij de sleutel van het
appartement aan de Nagy Ignac Utca. “Ik zie u volgende maand. Szia.”
Een sneeuwbui is in aantocht.
Eind februari 2006
Onder leiding van een groep enthousiaste Hongaarse studenten organiseert de
Corvinusuniversiteit wekelijks uitstapjes voor Erasmusstudenten. Een
introductieweekend in de wijnplaats Eger, de opera, baden in historische
kuuroorden, een bezoek aan het paleis van Kaiserin Sissi en Hongaarse
filmavonden zijn enkele voortreffelijke initiatieven.
Cultuur verenigt mensen. Een gezamenlijk bezoek aan het imposante
parlementsgebouw kan niet, maar moet. De sneeuw op het huis van de Hongaarse
democratie zorgt voor een sprookjesachtig decor.
Fier wappert de Hongaarse vlag. De vlag van de Europese Unie wappert berustend
mee.
Binnen aangekomen wijst de gids steevast op de collectie pronkstukken die het
gotische gestalte rijk is. Zwevend door het gebouw valt me op de bonte stoet aan
nationaliteiten. Het heeft de hoedanigheid van een hechte groep. Wonderbaarlijk.
De meeste Erasmusstudenten hebben zich namelijk in Boedapest gemeld rond eind
januari en kennen elkaar zodoende pas ruim een maand.
Een Pool schiet me aan. Hij verlangt uitleg. De ‘Nee’ tegen de Europese Grondwet
heeft Europa niet onberoerd gelaten. Erasmus was immers bovenal Europeaan.
Wellicht verheldert een quote van Margaret Thatcher. ‘Voor een sterk Europa
moeten landen zichzelf kunnen zijn en blijven. Elk land heeft zijn eigen
gewoontes, tradities en identiteit.’
Een duidelijk ja voor Europese samenwerking, maar met behoud van eigen
identiteit.
De Pool knikt. Een licht gevoel van onbegrip blijft echter hangen.
De rondleiding eindigt in een vergaderzaal. Cynisch merkt de gids op dat hij
eigenlijk geen flauw benul heeft van wat de parlementsleden de hele dag doen.
Twee dagen in de week zijn ze in ieder geval aanwezig in het parlementsgebouw.
De invulling van de andere vijf dagen is voor de Magyaar één groot raadsel. De
groep neemt zijn kanttekening met een glimlach aan. Blijkbaar is het een
universeel punt van herkenning.
Buiten arriveert de dooi.
Woensdag 15 maart 2006
De sombere lucht is vandaag rebels. Hongarije hunkert naar erkenning van
waardigheid.
Parades, spellen, dans en muziek vullen de straten en bruggen van Boedapest op
tot een groot feestgedruis. Er is genoeg te doen voor jong en oud.
Parmantig dragen de Magyaren een rood-wit-groen lintje op hun borst.
Op Hösök tere, het Heldenplein, luisteren duizenden mensen naar redevoeringen.
Met luid geklap en gezang worden de redenaars beloond. De Hongaarse vlaggen
zorgen voor een schitterend schouwspel. Herdacht en gevierd wordt de poging tot
een revolutie in 1848.
Een Oostenrijkse studente lacht er smalend om.
In het college The New (Post Communist) Europe and its Ethnic Problem besteedt
docent Géza Jeszensky ruimschoots aandacht aan deze nationale feestdag. De
toehoorders luisteren ademloos naar zijn krachtige verhaal. Volgens de
oud-minister van Buitenlandse Zaken waren de revolutionairen puur uit op sociale
hervormingen.
“Een hang naar autonomie was de sleutelfactor achter de opstand van de
Magyaren.”
Helaas voor hen mislukte de revolutie.
Verbitterd kijkt Jeszensky voor zich uit. Op zijn das prijkt een NAVO-speld.
“Een catastrofe was de totstandkoming van het Verdrag van Trianon. Een
referendum was verstandiger geweest.” Het verlies van Transsylvanië stemt hem
nog steeds droevig.
“Bestudeer eens goed de kaart van Oost-Europa rond 1900. Door de aanwezigheid
van etnische minderheden vormt de kaart een mozaïek.”
Jeszensky is een paar seconden stil.
“Een veelkleurig mozaïek welteverstaan.”
April 2006
De lente begint door te breken. Ik voel me een volleerde inwoner van Hongarije
en omstreken.
Geen moment is er ruimte voor monotonie. Het rijke culturele leven in Boedapest
verzwelg ik.
De colleges zijn allerminst oppervlakkig. Ze zijn ontroerend.
In twee maanden tijd heb ik een groot aantal internationale contacten opgedaan.
Engagement ten top.
Geheel in de stijl van Erasmus heb ik de smaak van het rondreizen goed te
pakken. In chronologische volgorde zijn bezocht Zagreb, Bratislava,
Transsylvanië, Wenen en Belgrado. Op de agenda van mei staan al Pecs en Kiev. Ik
waan me een koning te rijk.
In de kroeg wordt veelal besloten wat een volgende bestemming is. Er zijn altijd
wel enthousiaste studenten te vinden voor een nieuw avontuur.
Gelukzoekers vinden elkaar snel.
Het metrosysteem van Boedapest kan ik hardop dromen. Mijn favoriete metrostation
Nyugati pályaudvar, gelegen op vijf minuten loopafstand vanuit mijn flat,
herbergt alles. Het is het kloppende hart van Boedapest en gaat vergezeld met
een hypermodern winkelcentrum en tweedehands marktkraampjes. Schakers,
kunstenaars, redenaars en activisten vervullen er hun dagtaken.
De hele dag door. Het siert het miraculeuze leven in Boedapest.
Eén locatie bij Nyuagati zal nooit uit mijn geheugen worden gewist. Supermarkt
Kaiser’s wordt gekenmerkt door onfatsoenlijke en zeer trage caissières, lange
wachtrijen en onverschillige winkeliers. De hel is er een ondergeschikt
instituut bij. Iedere keer ben ik opgelucht als een expeditie in Kaisers aan
haar einde komt.
Het communisme heeft een onmiskenbare erfenis achtergelaten.
Zou ik ooit Kaiser’s gaan liefhebben?
17 mei 2006
Hoog in de hemelblauwe lucht hangt de Hongaarse zon. Consciëntieus doen de
zonnestralen van mei hun werk. Mijn verblijf in Boedapest is bijna ten einde.
In al mijn enthousiasme heb ik besloten een vak in het Duits te volgen, met alle
gevolgen van dien.
Voor het merendeel Hongaarse studenten hebben zich aangemeld voor het vak
Ostmitteleuropa als neue EU-Region.
Deelnemers houden een presentatie over een land uit Oost-Europa. Behalve ik.
Het lijkt docent Lásló Ódor een aardig idee indien ik een presentatie houd over
Nederland.
En zo geschiedt.
Stamelend, af en toe op zoek naar de juiste Duitse woorden, houd ik mijn betoog.
De zaal luistert braaf mee. Op één iemand na.
Docent Ódor haalt het in zijn hoofd om ongeveer om de drie minuten zelf aan het
woord te komen. Zijn monologen duren minimaal vijf minuten. Tijd voor een
weerwoord gunt hij me niet.
Ik weet niet wat me overkomt en brand gramstorig van binnen.
Betogen tijdens iemand anders betoog is één van Ódors kernactiviteiten.
Na afloop mopper ik. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!
Ódor is rijp voor de Lof der Zotheid.
Een Hongaarse student wijst me op een eerdere functie van Ódor, Hongaars
ambassadeur in Zwitserland. Mensen in een lager geschaalde positie moeten veelal
hun mond houden en luisteren naar wat hun meerdere zegt. Zo gaat dat daar.
Hier overigens ook. De student haalt zijn schouders op en zegt: “Van enig
commentaar is hij om die reden niet gediend.” Berustend verlaat ik het
klaslokaal.
De zon gaat onder.
14 juni 2006
Met pijn in het hart ben ik een kleine maand uit Boedapest vertrokken.
Terug in Nederland zijn mijn gedachten nog bij Hongarije. Het besef dat het
Erasmusavontuur voorbij is, dringt nog niet tot me door.
Ik sla NRC Handelsblad open en ga intuïtief naar de buitenlandpagina.
De kop In Boedapest wijst de politie je desgevraagd de weg naar
sigarettensmokkelaars verleidt me.
‘Vijf agenten staan bij de ingang van metrostation Nyugati palyaudvar in
Boedapest.’
Een aantal minuten tuur ik naar deze zin en doe daarna mijn ogen dicht. Op de
achtergrond hoor ik de Hongaarse Dansen van Brahms. Een brok nostalgie domineert
mijn ziel.
De stroom van de Donau is oppermachtig. Het zelfbewuste water, vastgeklemd
tussen Boeda en Pest, is afkomstig uit Bratislava en is op weg naar Kroatië. De
rivier is hier in vol ornaat constant in beweging. Erasmus knikt instemmend.
In Boedapest wordt het geluk op de proef gesteld.
Ik voel een onbestemd verlangen naar Kaiser’s. Igen .
Tim Baas
Student Sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen
Erasmusprogramma in Boedapest aan de Corvinusuniversiteit (Winter/Lente 2006)
| |











|